Hurenkind und Schusterjunge.
Duits voor 'hoerenjong en schoenlappersknecht', typografische fenomenen die we in het Nederlands al eens 'weduwe en weeskind' noemen. Een hoerenjong of weduwe (Engels: widow) is de laatste regel tekst van een alinea die toevallig op de volgende pagina terechtkomt en daar alleen staat. Een weeskind (Engels: orphan) is het omgekeerde, de eerste regel van een alinea die nog op de vorige pagina staat. Tegenwoordig vermijden tekstverwerkers deze onhandige en lelijke toestanden, maar dat neemt niet weg dat het heerlijke woorden zijn die je niet bepaald in de typografie verwacht. Daar zou je eerder denken aan zetspiegel, snijwit, kapitaal en onderkast, wat respectievelijk staat voor het bedrukte deel van een blad zonder kop- en voetregel, de witruimte tussen de zetspiegel en de - afgesneden - buitenkant van een boek, hoofdletters en kleine letters.
Ook het Duits heeft nog meer heerlijke jargonwoorden uit de typografie: een Fisch is een zetletter die in het verkeerde bakje is beland, een Zwiebelfisch (ajuinvis) dan weer een letter van een verkeerd lettertype die per ongeluk in een tekst is gebruikt (zie de g in ongeluk), Hochzeit (huwelijk) noemt men een per abuis dubbel geplaatst woord of dito regel en een Leiche (lijk) is een letter die of een woord dat verdwenen is uit de tekst, een lijk wordt 'begraven' in de correctie. Maar het mooist vind ik Gießbach (stortbeek), waarmee de Duitse drukker de witruimte tussen woorden bedoelt wanneer die over verschillende regels een lijn vormt. Nooit opgevallen dat je op bepaalde pagina's gemakkelijk wordt 'meegesleurd' naar een lager liggende regel? Fransen hebben het over lézardes, 'scheuren', en Italianen over canaletti, kanaaltjes. Dat lijkt alsof de drukker ze er met opzet heeft in gemanoeuvreerd.
En dan hebben we het nog niet eens over Gänsefüßchen (aanhalingstekens) gehad!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten